In ons dorp steken we de handen naar elkaar op én de handen uit de mouwen
Zomaar een zaterdagmiddag, klokslag vier. Het vrolijke carillon op het Willie Dasplein begint te spelen. Het deuntje drijft over de babbelende Bergers die zich verzamelen voor de supermarkt. Aan de overkant de H. Maria Hemelvaartkerk, stilletjes verscholen in het groen. Op het Ankeveensepad is het daarentegen juist lekker druk: groepjes wandelen richting plein of plas, ontspannen kuierend of met flinke pas. Aan de zonnige tafeltjes van Het Spieghelhuys hebben we een Bergs biertje in de ene hand, de andere steken we om de haverklap op naar een bekende.
Want wij Bergers (her)kennen elkaar, vaak al van verre. We zijn nuchter, recht door zee en een tikje eigengereid. Maar als er iets moet gebeuren, verzint Tom Poes altijd een list. Razendsnel weet iedereen elkaar te vinden, in no time is alles geregeld.
Dat ‘handen uit de mouwen’ en ‘de schouders eronder’, dat zit echt in onze aard. Net als onze bereidheid om iets te doen voor elkaar of ons dorp, ook als niemand dat ons vraagt. Tegelijkertijd mogen we graag mopperen en laten ons niet de wet voorschrijven. Of ons iets opdringen. Dat zag je bijvoorbeeld toen de overheid plannen doordrukte om onze Horstermeerpolder onder water te zetten. Boze bewoners riepen onmiddellijk de Republiek Horstermeerpolder uit. Met een eigen vlag en op de Middenweg wachthokjes, slagbomen en grenswachters. Een ludiek protest, zeker, maar wel uit het hart. Want voor die droge polder hadden we keihard gewerkt.
Van wilgen naar was, van gras naar glas: we vonden telkens iets nieuws om te overleven
Onze ‘Berg’ was vroeger de enige droge plek waar je in het drassige moeras kon bouwen. Een houten kapelletje op de zandheuvel in de vroege middeleeuwen trok al snel de eerste Bergers. Maar onderaan die heuvel kreeg je gelijk natte voeten. En wie wilde eten, moest toch dat moeras in. We staken er turf uit de zompige grond. Langs de oevers van de Vecht sneden we wilgentenen, die we bogen tot hoepels voor houten vaten. Dat zware werk in modder en kou leerde ons op onze eigen kracht te vertrouwen.
Alleen, door al dat turfsteken veranderde het drassige moeras in diepe waterplassen. Er bleef bijna geen land meer over om ons werk op te doen. Om te voorkomen dat we letterlijk en figuurlijk kopje onder gingen, bouwden we poldermolens en maalden de plassen weer droog. Op die teruggewonnen bodem gingen we grond en water op nieuwe, slimme manieren benutten.
Rasechte Berger-families als Van den Berg en Van Kreuningen begonnen aan een nieuw avontuur: van het telen van vee naar tomaat, komkommer en orchidee. Zo veranderde de polder in rap tempo van gras in glas. Tegelijkertijd ontdekten we dat het zachte water van de Vecht perfect was om te wassen. Eerst vanaf de buitenplaatsen langs de rivier, later vanuit Amsterdam kwam de handel in wasgoed op gang. Binnen notime draaiden de stoomwasserijen van Hageman en Snel op volle toeren. Zo gaven grond en water ons opnieuw werk en welvaart.
We leefden ooit in eigen werelden, maar zijn nu sterk met elkaar verbonden
Al die groei in de kassen en bij het wassen zorgde wel voor nieuwe gezichten in het dorp. Want we kwamen al snel handjes tekort. De eerste grote golf van ‘import’-Bergers bestond dan ook uit arbeiders van buitenaf. Er kwamen dagelijks blekersmeisjes, strijksters en tuindersknechten uit omliggende dorpen deze kant op. Vooral in de crisisjaren en vlak na de Tweede Wereldoorlog kwamen gezinnen vanuit het arme Groningen in onze wasserijen werken. Hun nuchtere werkmentaliteit sloot goed aan bij die van ons.
Veel nieuwkomers bleven plakken, trouwden hier en stichtten een gezin. Maar we werden samen niet vanzelfsprekend een gemeenschap. Dat kwam voor een deel door de Reevaart, die een bocht in de Vecht afsneed en ons dorp in tweeën hakte: het dorp en het ‘eiland’. Maar ook los van de fysieke barrières leefden we tientallen jaren strikt gescheiden: we zaten in katholieke óf protestantse kerkbanken, gingen naar eigen bakkers en eigen scholen. Twee geloven op één kussen? Daar sliep de duivel tussen.
Het heeft tot ver in de jaren 70 geduurd voordat we dichter bij elkaar kwamen. Onze kerken verloren hun strenge grip, maar ze lieten wel iets moois achter. Zij legden de basis voor onze sportclubs en buurtverenigingen, en leerden ons om naar elkaar om te kijken. Die onderlinge verbinding is nog altijd voelbaar.
Wie de handen uit de mouwen steekt, hoort erbij (al wordt 'import' nooit een échte Berger)
Want op dat stevige fundament bouwden we een hechte gemeenschap. Natuurlijk zijn er door de jaren heen veel meer mensen bij gekomen. Dat leidt tot een opvallende dorpseigenschap, die meer uitgesproken is dan in de dorpen om ons heen: de ongeschreven dorpswet dat je een ‘echte Berger’ bent of ‘import’. Zelfs als we hier al vijftig jaar wonen en hier onze kinderen hebben grootgebracht, noemen we onszelf ‘import’. Een echte Berger ben je alleen als je stamboom stevig is geworteld in onze klei, en een dichte kruin aan vertakte generaties heeft.
Dat zeggen we vaak als geintje, maar toch ook half serieus. Want er zijn subtiele verschillen. Echte Bergers zijn honkvast, nieuwkomers verhuizen op een gegeven moment soms weer. Jonge Bergers gaan weg om te studeren, maar komen terug. Mensen die van origine bijvoorbeeld uit de stad komen, zijn bij problemen soms meer gewend eerst de gemeente in te schakelen. Terwijl een Berger van oudsher direct de mouwen opstroopt en het regelt. Maar in ons dagelijks leven merk je van die kleine verschillen gelukkig weinig. We vormen een gezellige melting pot. En wie de handen uit de mouwen steekt en zich inzet voor de gemeenschap, die hoort er hier helemaal bij.
De kracht van ons dorp zit in wat we samen allemaal dóen
De combinatie ondernemerschap en gemeenschapszin is de kracht van ons dorp. De ambachten veranderden, maar kleine zelfstandigen en familiebedrijven zijn belangrijk in onze samenleving. Grote initiatieven trekken we daardoor snel van de grond, want we kennen elkaar en weten elkaar te vinden. Neem de ijsbaan: met sponsoring van lokale ondernemers en zo’n driehonderd vrijwilligers runnen we die helemaal zelf. Nergens anders bestaat zoiets op deze schaal. Diezelfde kracht ligt onder meer onder het Zomerspektakel, de avondvierdaagse en de taallessen voor nieuwkomers.
Ons Sociaal Cultureel Centrum doet zijn naam steeds meer eer aan. We gaan dit doorontwikkelen tot een multifunctioneel dorpshuis. Over huizen in het dorp gesproken: Kasteel Nederhorst geeft ons dorp een gezicht. Ook guurlijk: Marten Toonder tekende het na, noemde het Bommelstein en liet Ollie B. Bommel en Tom Poes er wonen. Sterker nog: het was jarenlang de studio waar de strips getekend werden.
Maar sport verbindt ons misschien nog wel het meest. Lenige Bergers halen hun hart op bij Turnvereniging Fit. Bij de Bergse Runnersclub doen we massaal mee met de Kidsrun. We trappen een balletje bij VVN, en slaan een bal of shuttle bij de volleybal-, tennis- of badmintonclub.
Het Spieghelhuys en Op ’t Eiland zijn pleisterplekken, bij Krijg de Kleertjes Nederhorst helpen we elkaar én geven we spullen een tweede leven. Zorglocatie De Kuijer biedt ouderen niet alleen een plek om te wonen, maar organiseert allerlei activiteiten én maakt het mogelijk dat mensen eventueel langer thuis kunnen wonen. De Bergplaats is zo’n plek waar we graag evenementen en feestjes organiseren. Kinderen knutselen bij Spotjes, bouwen in de vakantie hun eigen houten hutten bij De Blijk, jongeren zien elkaar daar in het weekend in het café.
Ten slotte wonen we natuurlijk op de ideale plek voor het buitenleven. De Spiegelplas, de Blijkpolderplas en de Vecht maken ons dorp ideaal voor watersport, fietsen, wandelen en zwemmen.
Wat we willen beschermen en versterken
Hoe fijn we hier ook wonen, we zien toch ook dingen die ons zorgen baren. Want de drogist is weg, de kroegen zijn weg, een schroef of zaag is hier niet meer te krijgen. Wat overblijft is de supermarkt, een slager en een bakker. Dat is voor de dagelijkse boodschappen genoeg, maar voor het gevoel dat er leven in ons dorp zit, is het te weinig. Zeker voor pubers is er hier weinig te doen.
Het openbaar vervoer is slecht: wie ouder wordt en minder mobiel is, merkt dat het hardst. Een buurtbus opgezet door bewoners zelf, samen met partners en ondernemers, zou een uitkomst zijn. Het opheffen en verkopen van de RKkerk betekent dat een zaal met ruimte voor tweehonderd mensen verdwijnt. Dat maakt dat we moeite hebben om grotere evenementen een plek te geven.
Over een plek geven gesproken: voor ouderen zijn kleinschalige woonvormen nodig met gemeenschapszin en gedeelde voorzieningen. En wat wonen betreft, zien we ook dat de nieuwbouw voornamelijk mensen van buiten aantrekt, wat de huizenprijzen voor Bergers onbetaalbaar maakt. En dat leidt misschien op den duur wel tot nog minder voorzieningen, doordat jongeren wegtrekken. Nieuwe inwoners vangen dat op, maar dat verandert de aard van ons dorp weer.
Qua verkeer: er wordt hier erg hard gereden (en eerlijk is eerlijk: ook wij zelf hebben een te zware rechtervoet…). Snelheidscontroles zouden uitkomst kunnen bieden. Oh, enne… no way dat we hier betaald parkeren accepteren.
Tot slot: ons advies aan de gemeente
Help ons om ons dorp klein en dorps te houden. Niet groter, niet drukker. We vragen om vertrouwen en niet te veel regels rond onze dorpse evenementen, want onnodige regels remmen af en vernietigen het initiatief. Bovendien: het gaat al jaren prima en we hebben alles stevig in de klauw. Maar het belangrijkste: ga met ons in gesprek over wat we écht nodig hebben. Onze voorzieningen staan onder druk en we zijn voor veel zaken afhankelijk van omliggende plaatsen zoals Weesp en Hilversum. Daarom zijn het behoud van onze eigen zorg, horeca en grotere ontmoetingsruimtes voor ons echt prioriteit nummer 1.
En als je een plan hebt, laten we dan praten. Als je goed hebt gelezen, weet je dat samenwerking onderdeel is van ons DNA. Dat doen we ook graag met de gemeente. Maak gebruik van onze kennis. Samen komen we er altijd wel uit. En maken we ons dorp nóg mooier.

Dave van Hout
Voor de liefde ben ik 13 jaar geleden naar Nederhorst den Berg verhuisd. Het enige wat ik zag waren twee stoplichten. In vergelijking met de stad waar ik vandaan kwam, was dat wel even wat anders.
Wat mij direct opviel: in dit dorp is het ons-kent-ons. Iedereen kent elkaar en helpt elkaar. Ik ben al vrij snel begonnen met mijn maaltijdenservice: lekkere maaltijden koken voor ouderen. Daardoor heb ik veel mensen leren kennen in het dorp en durf ik wel te zeggen dat het dorp mij heeft omarmd.
Wil je iets gezelligs ondernemen? Dan zit je hier wel goed
Voor een fatsoenlijke pen moet je het dorp uit. Er zijn niet veel winkels in Nederhorst den Berg. Maar wil je iets gezelligs ondernemen? Dan zit je hier wel goed. Voor een klein dorp hebben we best veel verenigingen, zoals voetbal, badminton en volleybal. Daarnaast zijn er evenementen zoals het Zomerspektakel, de ijsbaan en eens in de twee jaar de autocross. Ook de lokale winkeliers zijn onwijs belangrijk voor het dorp. Je wordt als inwoner ook vaak gevraagd om mee te helpen met nieuwe initiatieven. Ik help graag mee als ik kan.
Het dorp is natuurlijk ook aan het veranderen. Als er iets te koop staat, is de kans groot dat er iemand uit de grote stad komt wonen. Ik zie wel dat mensen steeds meer op zichzelf zijn. Sowieso zijn de ‘echte’ Bergers wat terughoudend. Die houden zich liever een beetje op de achtergrond.
Ik vind dat de afstand tussen inwoners en bestuur soms te groot is. Er worden plannen uitgevoerd waarvan mensen denken: dit kan toch anders? Als je niet goed betrokken wordt, kom je in de weerstand en ga je opkomen voor je eigen belang. Dat is voor mij een teken dat er iets misloopt.
Tegelijkertijd moeten we goed kijken naar wat Nederhorst bijzonder maakt. De Spiegelplas is voor iedereen belangrijk; dat is prachtige natuur die je moet behouden. En plekken zoals het Spieghelhuys zorgen ervoor dat mensen elkaar blijven ontmoeten. Dat is typisch Nederhorst en dat moeten we koesteren.
Meer lezen?
Bekijk alle dorpscv's (pdf, 61.2 mb)
Bekijk de andere dorpscv's (tekst):